TOP

Trans-zijn is (g)een fase

Trans-zijn is (g)een fase

Door Thomas Vink

Thomas van der Meer, schrijver van het boek Welkom bij de Club, een autobiografische roman over transgenderthematiek, vertelde eens in een interview dat hij zijn afgeronde transitie volledig achter zich wilde laten. ‘Als mensen vragen of ik transgender ben, zeg ik weleens “ja”. Maar voor mij is het al opgelost. Ben ik dan nog transgender?’, aldus Van der Meer in een interview aan Vrij Nederland. Zijn uitspraken zetten mij aan het denken over mijn eigen transitie: kan ik mijn trans-zijn ooit helemaal achter me laten? En wil ik dit überhaupt? Hoe open ben en blijf ik over mijn trans-zijn?

Stap voor stap

Een transitie kan een jarenlang stappenplan zijn. Hier weet ik zelf alles van. Toen ik me in 2017 door mijn huisarts liet doorverwijzen naar de genderkliniek van het VUmc, had ik nog geen idee wat me allemaal te wachten stond. Het enige wat voor mij duidelijk was, was de voortdurende onzekerheid over het geslacht dat ik bij mijn geboorte toegewezen had gekregen. Drie jaar later realiseer ik me dat dat nog maar het begin was: het begin van de wachtlijsten, de hoop op een telefoontje vanuit het VUmc met het nieuws dat ik groen licht kreeg voor de hormoonbehandeling en later voor de mastectomie. Maar vooral de hoop op volledige erkenning van de buitenwereld.

Erkenning moet overigens niet worden verward met acceptatie, want ik heb het geluk om alleen maar mensen om mij heen te hebben die mij vanaf het begin af aan hebben geaccepteerd en mij hebben gesteund in mijn transitie. Met erkenning bedoel ik daarom volledig door het leven kunnen gaan als man, of op z’n minst als jongen.

‘Jongeman’

Al sinds de zomer van 2014 werk ik bij de Gamma. Sinds mijn coming-out is dat voor mij de uitgelezen plek om te toetsen of ik genoeg passabel ben als man. Dit is namelijk een van de weinige plekken waar mijn collega’s en ik regelmatig met ‘meneer’ of ‘mevrouw’ worden aangesproken. In de (bijna) zeven jaar dat ik daar werk heb ik zelf de overgang meegemaakt van ‘mevrouw’ naar ‘meneer’. Dit was overigens ook de eerste plek waar ik met ‘meneer’ of ‘jongeman’ werd aangesproken, zelfs nog ver voor het begin van mijn transitie. Deze aanspreekvorm had destijds een confronterende werking op me. Ik was me ervan bewust dat ik misschien beledigd zou moeten zijn wanneer iemand me voor een jongen aanzag, maar niks was minder waar: ik voelde me euforisch. Dit euforische gevoel zette me uiteraard aan het denken: waarom voel ik dit? Zou ik niet teleurgesteld moeten zijn dat ik er te veel uitzie als een jongen? Ik schaamde me zelfs enigszins voor het feit dat ik het als een compliment had opgevat.

Dit gevoel heb ik lange tijd aan de kant geschoven. Door een gebrek aan zelfvertrouwen, maar ook doordat ik ontmoedigd raakte door alle stappen die daarbij in het verschiet zouden liggen. Ik realiseerde me hoeveel er bij een transitie kwam kijken: alle gesprekken die ik met een psycholoog zou moeten voeren voordat ik aan de hormonen zou mogen beginnen, de lichamelijke en geestelijke veranderingen die met de hormoontherapie gepaard zouden gaan, de risicovolle operaties, etc. Daarnaast zou ik een nieuwe naam moeten bedenken en het nieuws middels een coming-out naar buiten moeten brengen. Dit was voor mij lange tijd een te grote stap.

Naam kiezen

Op een dag kon ik mijn gevoel niet langer aan de kant schuiven. Op de meest vrijblijvende manier mogelijk ben ik sites gaan afstruinen op zoek naar een geschikte jongensnaam. Het was vrijblijvend omdat ik nog niet wist in hoeverre ik daadwerkelijk in transitie wilde naar jongen. Mijn oude naam begon met de letter T en ik wist dat ik die voorletter graag wilde behouden. Vooral omdat ik daarmee al veel namen weg kon strepen en de keuze wat minder ingewikkeld zou zijn. Vanaf het moment dat ik de naam Thomas zag staan, had ik er een klik mee. Dat de naam niet erg origineel was, maakte mij niks uit. Als ik als jongen was geboren, zou ik Leon hebben geheten. Omdat ik deze naam niet leuk genoeg vond als eerste naam, heb ik deze als een soort eerbetoon aan mijn ouders gekozen als mijn tweede naam. Vanaf dat moment was ik er zeker van dat ik absoluut niet meer als meisje door het leven wilde. En dus heb ik de stap gezet om naar de huisarts te gaan voor mijn doorverwijzing naar de genderpoli van het VUmc.

Als ik het heb over mijn naamsverandering, mag de datum 3 juni 2019 zeker niet onbenoemd blijven. Die dag ging ik naar het gemeentehuis in mijn geboorteplaats om mijn voornaam en geslachtsaanduiding officieel te laten aanpassen. De gemeenteambtenaar maakte een aantekening bij mijn geboorteakte over de nieuwe gegevens en daarna werden de wijzigingen officieel doorgevoerd in het bevolkingsregister van mijn woongemeente. Dit klinkt als een simpele ingreep, maar er ging een heel proces aan vooraf.

Allereerst heb ik een half jaar iedere maand een gesprek gevoerd met mijn psychologe van het VUmc. Pas na deze diagnostische fase kon ik de ‘Aanvraag verklaring wijziging geslacht’ indienen. Ik printte het formulier dat te vinden is op de website van de het VUmc, vulde het in en stuurde het op naar de genderpoli. Na een paar weken werd mijn aanvraag tot mijn vreugde goedgekeurd en ontving ik de deskundigenverklaring. Daarin stelt mijn psychologe vast dat ik ervan overtuigd ben ‘tot het andere geslacht te behoren’. Deze verklaring gaf ik die 3 juni aan de gemeenteambtenaar.

Het duurde nog twee weken voordat mijn naam- en geslachtswijziging verwerkt waren in het bevolkingsregister en ik mijn nieuwe paspoort en rijbewijs kon aanvragen. In de tussentijd ging er geen dag voorbij zonder dat ik op de site van de overheid inlogde om te zien of mijn naam en geslacht officieel waren aangepast. Op een dag was het zover: naast het kopje Geslacht stond nu Man en mijn gloednieuwe naam was nu écht mijn naam. Dat zou niemand me meer afpakken.

Doorverwijzing

Na mijn doorverwijzing naar het VUmc had ik vanwege de lange wachtlijst genoeg tijd om mijn identiteit verder te doorgronden. Ik was er steeds zekerder van dat ik aan de medische transitie naar jongen wilde beginnen en het liefst zo snel mogelijk. Anderhalf jaar na mijn doorverwijzing had ik mijn eerste afspraak bij de genderkliniek en na een half jaar gesprekken te hebben gevoerd met mijn psychologe, mocht ik starten met de testosterongel. Inmiddels ben ik drie jaar verder, zit ik ruim een jaar aan de hormonen en heb ik mijn mastectomie (borstoperatie) achter de rug. Dat zijn op medisch gebied lange tijd mijn grootste doelen geweest. Daarnaast word ik op mijn werk nooit meer met ‘mevrouw’ aangesproken, maar uitsluitend met ‘meneer’ of ‘jongeman’.

Illustratie Jan Broekhuizen

Nu ik voor mijzelf een adempauze heb ingelast en niet meer constant bezig ben met de volgende stap in mijn transitie, heb ik meer ruimte om na te denken over die overheersende vraag: wil ik mijn transitie uiteindelijk helemaal achter me laten of niet? Voordat mijn medische transitie begon, dacht ik dat het antwoord op deze vraag zeker ‘ja’ zou zijn. Ik dacht: ‘als ik er ooit helemaal uitzie als man en de meeste mensen niet beter weten, hoef ik niet meer transman te zijn, maar kan ik gewoon een man zijn’. Daar ben ik nu niet meer zo zeker van. Uiteraard ben ik man, maar ik blijf mezelf toch als transman identificeren. Allereerst heb ik mijn familie, die mij weliswaar volledig accepteert, maar toch weet dat ik bij mijn geboorte een ander geslacht toegewezen heb gekregen. Maar de voornaamste reden dat ik mij als transman blijf identificeren is dat verschillende transitie-gerelateerde ervaringen mij hebben gemaakt tot de persoon die ik nu ben. Deze transitie heeft me bijvoorbeeld geleerd dat ik geduldig moet zijn wanneer ik iets echt graag wil. De lange wachttijden hebben aan dat inzicht bijgedragen. Ook raakt het me steeds minder wanneer iemand nog per ongeluk naar mij verwijst met ‘zij’ of ‘haar’. Daarom denk ik dat ik zonder mijn trans-zijn niet de persoon zou zijn die ik nu ben. Als gevolg daarvan lukt het me steeds beter om trots te zijn op wie ik ben, en daar hoort mijn trans-zijn zeker bij.

Zelfacceptatie

De periode waar ik het liefst zo min mogelijk aan word herinnerd, is de periode van vóór mijn transitie. De periode waarin mijn onzekerheid overheerste en ik maar niet begreep wat er ‘aan de hand’ was. Deze fase zou ik wel graag achter me willen laten. Ook zou ik de transitie soms als afgerond willen zien, en er niet meer op aangesproken worden zodat ik ‘gewoon’ bij de jongens hoor en ik niet word behandeld als ‘anders’.

Desondanks heb ik ook ervaren hoe fijn het kan zijn als mensen met wie je veel omgaat weten van je transitie. Zo ben ik vlak na mijn eerste aanmelding bij het VUmc voor mijn opleiding verhuisd naar Maastricht, waar niemand wist van mijn trans-zijn. Later bleek echter dat mijn nieuwe klasgenoten mijn oude naam op een lijst hadden zien staan en daardoor allang wisten van mijn transitie. Daarna voelde ik me opgelucht, alsof het iets is waar mensen vroeg of laat toch wel achter zullen komen. Een belangrijk inzicht is dat ik minder de behoefte heb om mijn transitie volledig achter me te laten, sinds ik mijzelf meer accepteer.

Nieuwe collega’s

De plek waar ik nog het meest worstel met hoe open ik over mijn transitie wil zijn, is op de werkvloer. Regelmatig krijg ik te maken met nieuwe collega’s, en ik heb gemerkt dat ik het prettig vind als zij van niks weten. Met de mensen die mij al van voor mijn transitie kennen, praat ik echter af en toe over mijn transitie en over volgende operatiewens(en). Op dit moment werkt dit voor mij goed; een deel van mijn collega’s weet het en een ander deel niet. Hierdoor heb ik niet het gevoel iets te ‘verzwijgen’, maar is het ook niet voor iedereen gelijk duidelijk dat ik trans ben.

Als ik een nieuwe collega ontmoet, wil ik eerst dat die persoon me leert kennen als de persoon die ik nu ben, voordat diegene weet over mijn trans-zijn. Deels komt dat doordat veel collega’s binnen een paar maanden weer weg zijn, dan hoeven ze wat mij betreft niet dat deel van mijn identiteit te kennen. Als het echter wel zover komt, soms doordat een andere collega zich verspreekt, vertel ik meestal dat ik hiervoor ‘als meisje door het leven ging’ of dat ik ‘niet als jongen ben geboren’. Dat zijn voor mij de makkelijkste bewoordingen om iemand te laten weten dat ik transgender ben.

Ik ben erg benieuwd naar jullie ervaringen over dit onderwerp. Welke woorden kies jij om aan anderen uit te leggen welke genderidentiteit je hebt? Doe je dit heel direct, of juist indirect? Begrijpt de ander dan gelijk wat je zegt, of moet je meer vertellen dan je zou willen?

Post a Comment