Niet puberteitsremmers maar de verkeerde puberteit is gevaarlijk

Door Tammie Schoots

Brediusbad (Bron: www.amsterdam.nl)
‘Is dat niet gevaarlijk, die puberteitsremmers?’. Het is een vraag die ik vaak hoor als ik vertel dat ik op mijn dertiende een lichamelijke transitie heb ondergaan. Zo logisch als deze stap voor mij was zo wonderlijk is het voor de cisgender ander. Ik zou immers misschien wel spijt kunnen krijgen, en hormoonmedicatie is dat niet ontzettend schadelijk op de lange termijn? Angstvallig wijzen onwetenden naar de ‘onomkeerbaarheid’ van de puberteitsblokkers. Dat ik helemaal niet terug wil, is een gevoel dat zij maar niet kunnen plaatsen. Om de vitale betekenis van puberteitsremmers in kaart te brengen, sprak ik drie jonge transgender personen.

‘Ik kan het niet begrijpen’, zegt de dertienjarige Prinz. Ze wordt moedeloos van de oneindig repetitieve vragen die ze moet beantwoorden: ‘Mijn genderpsycholoog vraagt me al sinds mijn derde of ik me nog steeds een meisje voel, en al tien jaar geef ik hetzelfde antwoord: “Als ik het niet meer zou vinden zou ik hier toch niet zitten?”’ Zoals de coronatijd dicteert, ontmoette ik Prinz via Zoom. Nostalgie bekroop me: haar kamerdeur beplakt met boybandposters en op haar hoofd het soort haarband dat ik vijftien jaar geleden ook had kunnen dragen. Haar jonge uitstraling staat in schril contrast met de politieke realiteit waar ze zich mee bezig moet houden: ‘Wat er in Engeland gebeurt, vind ik zo onnodig.’ Ze verwijst naar de uitspraak van de rechtbank in het Verenigd Koninkrijk afgelopen januari. Daar is het toedienen van de puberteitsblokkers voor transgender jongeren onder de vijftien juridisch onmogelijk gemaakt. ‘Er is gewoon een oplossing die kinderen langer de tijd geeft om na te denken: puberteitsremmers. Als ik kijk naar mensen die er te laat mee zijn begonnen dan ben ik opgelucht. Ik wil helemaal geen zwaardere stem en grotere handen want ik ben geen man.’ Haar ogen lichtten op: ‘Toen ik voor het eerst de antipuberteitsprik kreeg, was ik zo blij, dat ik wel kon juichen’.

In Nederland komen mensen die na een lichamelijke transitie toch niet transgender blijken te zijn, zogenaamde ‘detransitioners’ zelden voor. Uit het Rijksoverheid rapport genaamd The Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria Study blijkt dat tussen 1972 en 2015 slechts 0.6% van de transgender vrouwen en 0.3% van de transgender mannen spijt bleken te hebben. De meesten van hen door de nare maatschappelijke benadering. Zo krijgen transgender personen zeven keer vaker te maken met geweld. Dat mensen zoals Prinz, met een inherente overtuiging, vaker voorkomen weerhoudt media er niet van om de spijtgevallen breed uit te meten. Zo portretteerde onderzoeksprogramma Zembla in 2018 hoe Patrick terugkwam op zijn geslachtsbevestigende operatie, hij bleek toch geen vrouw te zijn. Het programma oogstte veel verontwaardiging, met name bij transgender personen. De teneur van de uitzending was dat transgenderzorg te laagdrempelig zou zijn en te weinig selectief. Terwijl de realiteit is dat veel transgender personen jarenlang op een wachtlijst staan, en eindeloze diagnostiek moeten doorstaan voordat zij de zorg krijgen waar zij recht op hebben. Daar zouden we ons op moeten focussen.

De vijftienjarige Fynn kreeg de puberteitsremmers pas toegediend toen hij al een half jaar in de puberteit zat. ‘Als ik eerder was begonnen had ik in de zomer gewoon kunnen zwemmen. De andere jongens kunnen in blote bast het water induiken en ik, nou ja.. het kan wel. Maar dan moet ik een binder dragen.’ Direct toen de vrouwelijke puberteit inzette, wist Fynn dat dit niet bij hem hoorde. Maar het duurde nog even voordat hij zijn gevoel onder woorden kon brengen. Ook Fynn moest vervolgens de genderpsycholoog ervan overtuigen dat hij zich niet kon verenigen met zijn officiële geboortegeslacht. Nu de puberteit al sporen heeft nagelaten, ziet hij zich genoodzaakt om de rest van zijn tienerjaren een zwaar stuk elastiek om zijn borst te binden om mee te kunnen komen met zijn leeftijdsgenoten. Geen zorgeloze zomers maar schaamte.

Ook de dertienjarige jarige Max heeft te maken met borstgroei. Hij vertelt mij dat hij tijdens het voetballen niet kan douchen bij de andere kinderen. Als ik hem vóór het interview vraag hoe hij zich identificeert zegt hij schouderophalend: ’Gewoon, een jongen.’ Zijn moeder Annemiek constateert dat de puberteitsremmers van ongekend belang zijn voor Max: ‘Wij zien een compleet ander kind sinds hij de puberteitsremmers krijgt toegediend.’ Ondanks de lichamelijke ongemakken die er nog zijn, bloeit Max op en krijgt hij weer levenslust. Annemiek ziet geen gevaar in de medische interventie. ‘Het kan zoveel leed besparen als transgender kinderen eerder mogen beginnen.’

Deze verhalen brengen mij terug naar toen ik zelf net dertien was. De maanden voordat ik de eerste prik kreeg had ik woelend wakker gelegen. De gedachte dat het ziekenhuis mijn aanvraag zou afwijzen was ondraaglijk. Hoe zou ik nog over straat kunnen als iedereen zou zien dat ik ‘eigenlijk een jongen was’? In mijn hoofd bereidde ik me alvast voor op de lacherige scheldpartijen: ‘manwijf, manwijf, manwijf’. Het gefluister achter mijn rug wanneer ik langs wildvreemde mensen zou lopen: ‘dat is eigenlijk een man’. Ik was namelijk op twee meter, drie centimeter en zes en een halve millimeter uitgerekend. Al even zat ik in die mannelijke puberteit toen ik las dat de meeste veranderingen ’s nachts plaatsvonden. Vanaf dat moment bond ik elke avond een theedoek om mijn tintelende schouders en werd ik vervolgens ieder uur wakker om mijn beginnende ademsappel terug mijn nek in te duwen. Ik kan me de spanning thuis nog zo goed herinneren: mijn radeloze moeder, ze begreep me maar niet, en mijn stoïcijnse vader, die weigerde mij met ‘zij’ en ‘mijn dochter’ aan te spreken totdat ik eindelijk die officiële psychologenverklaringen kreeg: ‘ze is een meisje’.

Als ik de kinderen vraag wat ze wetgevers zouden aanraden, zeggen ze unaniem: ‘Laat ons eerder beginnen. Niet die eindeloze psychologische gesprekken maar ook een zorgeloze jeugd.’ Mensen die strijden voor het eerder toedienen van puberteitsremmers zijn geen gendergekkies maar heel gewone personen die doodnormale dingen willen. Een jongen die zorgeloos zijn zwembroek aan kan trekken en mee kan zwemmen met zijn vriendjes. Een meisje dat niet haar halve jeugd in het ziekenhuis dezelfde vraag wil beantwoorden. En een moeder die gewoon een fijn leven voor haar kind wil. Dat is wat hier op het spel staat: een gelukkig leven voor transgender kinderen. Zo simpel is het.

Auteur Tammie Schoots

‘Ik studeer Filosofie, Rechten en Europese Studies aan de universiteit van Amsterdam, en ik ben klaar om deze kennis in de praktijk brengen. Voor TRANS magazine maak ik maatschappelijke en politieke analyses van trans identiteit met een persoonlijk en activistisch tintje.’