Post-operatieve depressie

Tekst Chris Jacobovicz

Twintig jaar hopen

Mijn allereerste herinnering, is van toen ik twee jaar oud was. Ik lig in bed en ben ervan overtuigd dat er de komende nacht een piemel zal gaan groeien. Mijn oudere broers hebben er namelijk ook één, dus die van mij zal vast snel komen. Ook herinner ik me, hoe ik iedere ochtend vol hoop de dekens van me af trok… Ik kijk nog eens goed. Helaas, er is geen piemel gegroeid. Misschien morgennacht?

Zo ben ik twintig jaar lang teleurgesteld wakker geworden. Op een gegeven moment was ik oud genoeg om te snappen dat je met een penis geboren moet worden. Maar tóch was ik elke avond een beetje hoopvol en elke ochtend een beetje teleurgesteld.

‘My first dickpic’ door Chris

Tot die ene ochtend, 12 januari 2017, in een ziekenhuis in Belgrado, Servië. De dag ervoor was ik opgenomen voor het laatste deel van een tweedelige phalloplastiek: het creëren van een penis bij transmannen. Die nacht was er, voor mijn gevoel, eindelijk een piemel ‘gegroeid’.

Het is moeilijk te omschrijven hoe gelukkig ik ermee ben. Na mezelf twintig jaar incompleet te hebben gevoeld, mezelf een freak en lelijk te hebben gevonden, is dat gevoel opeens weg. Ik legde mijn aversie tegen mijn vagina altijd uit als dat het voelde of ik, in plaats van het mannelijk geslachtsdeel, een open wond tussen mijn benen had. En daar dan twee decennia mee moeten leven.

Ondanks de pijn na de operatie was ik ongelofelijk blij. De kleine dingen: als ik mijn onderbroek aandoe, zit er een bobbel, plassen in het urinoir, krabben aan mijn ballen… allemaal ‘normale’ momenten waarbij mijn hart een sprongetje maakt.

Paniek

Je zou verwachten dat ik na die phallo-operatie op een roze wolk leefde. Ik was toch ‘klaar’? De grootste droom die ik ooit heb gehad, was toch uitgekomen? Helaas voelde ik het tegenovergestelde: ik werd onvoorstelbaar depressief.

Net terug uit het Servische ziekenhuis, zat ik thuis te herstellen. Mijn hond logeerde bij mijn vriend, om mij wat rust te geven. Ik was alleen. Er kwam een diep verdriet los. Ik kon alleen nog maar huilen. Onophoudelijk huilen, totdat de tranen op waren en er een benauwd gepiep uit mijn keel kwam. Na een paar uur belde ik in paniek mijn vriend: hij moest direct met mijn hond naar me toe komen, want ik wist het niet meer, en stond niet meer voor mezelf in. Ik ben blij dat hij zijn telefoon opnam, want ik had me voorgenomen om me van de vierde verdieping naar beneden te laten vallen, als ik geen gehoor kreeg.

In de periode die volgde, kon mijn toenmalige vriend niet veel voor me betekenen. Eigenlijk kon niemand echt iets voor me doen. Ik was niet meer onder behandeling bij een psycholoog of psychiater, en zat eigenlijk alleen maar thuis met mijn hondje. Uiteindelijk ben ik zeven maanden lang bezig geweest met accepteren dat dit het lichaam is waar ik het de rest van mijn leven mee zal moeten doen. Hoe deze acceptatie precies gekomen is, weet ik eigenlijk niet goed. In ieder geval heb ik eindeloos voor mezelf herhaald, dat ik toch niets meer kon veranderen nu. Met die woorden vond ik uiteindelijk een soort rust, denk ik.

Mijn hele jeugd was ik al ongelukkig. Alle psychologen, psychiaters en therapeuten door de jaren heen, gooiden mijn depressie op mijn genderdysforie. Ik vertelde mezelf: nu ben ik ongelukkig, maar als ik zestien ben, mag ik mannelijke hormonen. Als ik achttien ben, krijg ik mijn borstoperatie. Er was altijd een volgende stap: een excuus om nú nog niet gelukkig te hoeven zijn, want na de volgende stap werd het automatisch een beetje beter.

Maar toen was de laatste stap gezet. Het werd niet meer automatisch beter. Opeens kwam de realisatie, dat ‘dit het is’. Ik zal mijn verleden, de eerste veertien jaar van mijn leven als meisje, altijd met me meedragen. Ik kan geen erectie krijgen, ik kan geen sperma aanmaken, ik zal altijd iets moeten uitleggen aan nieuwe geliefden, kan geen kleine Chrisjes op de wereld zetten.

Acceptatie

Ik moest dingen accepteren. Ik moest accepteren dat ik transgender ben, hoeveel ik ook lijk op een cisman. De negatieve aspecten aan het transzijn, leren loslaten. En ik had daar veel eerder mee moeten beginnen. Als ik op mijn veertiende minder bezig was geweest met: ‘Hoe word ik zo overtuigend mogelijk een jongen?’, en meer met: ‘Hoe accepteer ik mijn lichaam?’, was die depressie na mijn operatie misschien nooit gekomen. Maar de psycholoog van de genderpoli die letterlijk tegen een onzekere transgender puber van vijftien zei: ‘Je zal nooit een echte man worden’, hielp mij niet de realiteit te aanvaarden. Ik verbleekte van woede en voelde me totaal onbegrepen. Inmiddels begrijp ik de boodschap die zij me wilde meegeven: ze wilde me behoeden voor de postoperatieve depressie die mij acht jaar later zou treffen. Dit gebeurt namelijk vaker, dat stak ik later op van andere transgenders online. Ik had die verhalen echter enorm onderschat. Het is een zware periode van verwerking van het besef, dat je ondanks een geslaagde transitie nog steeds geen ‘gewone man’ bent.

Als ik vijf jaar terug in de tijd kon gaan, zou ik alles precies hetzelfde doen. Spijt van mijn operaties heb ik absoluut niet. Voor mij was dit nodig om me compleet te voelen, en het gevoel te hebben dat het mijn éígen lichaam is waar ik in zit. Inmiddels gaat het beter met me, ik accepteer mijn lichaam steeds meer. Wat helpt is dat mensen niet aan me zien dat ik niet als jongen geboren ben: ik zit in de sauna zonder rare blikken te krijgen en deel het bed met andere mannen die niets doorhebben. Mijn partner vindt het geen probleem dat ik trans ben en mijn seksleven is prima. Ik begin te wennen aan het lichaam waarmee ik het de rest van mijn leven zal moeten doen.

Inzicht

Tijdens mijn transitie hield ik sterk vast aan een toekomstbeeld. Nu heb ik me erbij neergelegd dat ik transgender ben. Ik hoef dit niet van mezelf te ontkennen. Mijn lichaam past veel meer bij mijn genderidentiteit, maar ik realiseer me ook: nu ik mijn fysieke doel min of meer heb bereikt, kan ik nog steeds onvervulde wensen en verlangens blijven voelen. Ik heb aanvaard dat dit nu eenmaal bij het leven hoort.

Tegenwoordig houd ik vast aan de volgende gedachte: als ik het leven leid dat ik wil leiden, als ik achter mezelf sta, zullen de mooie momenten de overhand hebben.